'Altijd zocht ik de oorzaak buiten mezelf, in wat er vroeger gebeurd was.'

Interview Tine_foto_FPG

Tine (53): “Mijn eerste manie kreeg ik toen ik werd behandeld met prednison, zo’n tien jaar geleden. Ik had bronchitis, lag in het ziekenhuis, en dit leek een goede behandeling. Voor de bronchitis wel ja, maar ik ontspoorde volledig. Ik werd vreselijk druk, deed niets anders dan praten, lachen, lawaai maken. Mensen werden dol van me.

Maar ik was niet te houden. Ik vertelde iedereen dat ik een boek over mijn familie zou schrijven, dat ik cabaretière zou worden, net zo goed als Karin Bloemen, beter nog! En ik zou bij Pauw & Witteman komen. Wedden? Na tien dagen, ik was inmiddels gestopt met prednison, ging deze uitgelaten stemming, zo over the top, voorbij. Wat een raar bijverschijnsel, dachten de artsen, dacht ik zelf. Dat het een teken was dat ik een psychische stoornis had, kwam niet bij me op. Ook niet toen ik daarna maandenlang in een gitzwarte depressie belandde. Zoals ik mijn hele leven al deed, zocht ik de oorzaak buiten mezelf.

Alles veranderde toen ik vier jaar later, nota bene tijdens de begrafenis van een goede vriendin, opnieuw werd overvallen door een manie. We dronken koffie, aten cake, en ik had het hoogste woord. Ik zou beroemd worden, zei ik met grote stelligheid. Iedereen moest lachen, want kon ik nou voor bijzonders? ‘Niets! En dát is juist bijzonder’, joelde ik. Net als tijdens de prednisonkuur voelde ik het bloed door mijn hoofd razen. De energie knalde naar buiten. Mijn lichaam tintelde, mijn buik kriebelde, alsof ik smoorverliefd was.
 
Dit keer gingen wél de alarmbellen af. Dit moest een manie zijn. Met een oorzaak van binnenuit. Dit opgeteld bij mijn levensgeschiedenis betekend ongetwijfeld dat ik een bipolaire stoornis had, ook wel manisch-depressiviteit genoemd. Dat wist ik natuurlijk, ik ben huisarts. Bovendien had ik vroeger een grote liefde gehad met dezelfde ziekte. Ik had toen zo veel van mezelf in hem herkend. En onze verliefdheid, die was extreem euforisch geweest. Toch was het kwartje nooit gevallen – achteraf onbegrijpelijk en vooral jammer. Er is namelijk prima met een bipolaire stoornis te leven als je weet dat je het hebt.

Als ik terugkijk, past alles in het plaatje. Mijn leven lang heb ik onbestemde psychische klachten gehad. In mijn puberteit zat alles mee, ik had leuke vriendinnen, haalde geweldige cijfers, toch voelde ik me blij vlagen somber en dacht dan over zelfmoord. Daarna ging ik studeren voor huisarts, dat leek me een mooi beroep. Maar het viel me erg zwaar. Samen met mijn toenmalige vriend, eveneens huisarts, nam ik de praktijk van zijn vader over. We kregen heel veel patiënten en voor ál die mensen was ik opeens verantwoordelijk. Ik was doodsbang om fouten te maken en leefde continu in angst om ‘door de mand’ te vallen. Ik deed alles prima – maar ik moest wel drie keer per week overgeven van de zenuwen, voor ik kon beginnen met werken.
 
Met mijn vriend ging het uit, maar we bleven wel samen de praktijk voeren. Toen werd ik verliefd op Erik en hij op mij. Zes weken lang waren we in de wolken. Dat Erik, voordat ik hem kende, twee keer psychotisch was geweest en een bipolaire stoornis had, wist ik al voor we een relatie kregen. Ik vertrouwde erop dat ik het aankon. Maar na anderhalve maand belandden we van de hemel in de hel. Erik reed ’s nachts iemand aan, terwijl hij gedronken had. Hij moest voor de rechter komen. Het greep hem zó aan, dat hij in een diepe depressie raakte. Hij vertelde me over zijn angsten, zijn onzekerheid, zijn schuldgevoel en de vrees voor afkeuring. Ik snapte waar hij het over had, want ik herkende het. Al die dingen, daar kampte ik ook mee als ik aan het werk was. Maar ja, ik was ook een slechte huisarts, meende ik, logisch dat ik die gevoelens had. Ik zocht verder niets achter die herkenning.

Het was een moeilijke tijd, waarin Erik vaak over zelfmoord sprak. Toen na negen maanden wachten zijn zaak eindelijk voorkwam en de straf erg meeviel, was ik opgelucht. Nu zou het beter gaan, dat kon niet anders? Erik was inderdaad heel vrolijk. Hij maakte uit zichzelf onze afzuigkap schoon. Diezelfde avond zagen we een tv-programma over manisch-depressiviteit en ik dacht: hier is niet goed mee om te gaan.

De dag erna pleegde Erik zelfmoord. De klap was onvoorstelbaar. Juist nu we ons weer op de toekomst konden richten! Ik begreep er niets van en miste hem verschrikkelijk. Kort daarna gebeurde waar ik al die jaren zo bang voor was geweest: er werd een klacht tegen mij ingediend, omdat ik een verkeerde diagnose zou hebben gesteld. Dat was de druppel. Ik stortte volledig in. Maandenlang heb ik ziek thuisgezeten. Ik wilde meteen schuld bekennen, maar mijn verzekering weerhield me ervan – en na twaalf lange jaren was de conclusie dat ik er niets aan had kunnen doen. Twaalf slopende jaren van onzekerheid en dan bovendien de dood van Erik. Wat het vreemd dat ik zo vaak ongelukkig was, zelfs al had ik een nieuwe liefde gevonden en inmiddels twee kinderen?

Ik heb in die tijd wel antidepressiva geslikt, maar niet omdat ik meende dat er chemisch iets ontregeld was bij mij. Mijn sombere, lusteloze gevoelens waren volgens mij simpelweg een reactie op wat er was gebeurd. Ik ging ook in therapie. Daar had ik veel aan: ik leerde dat ik goed voor mezelf moest zorgen, anders kon ik dat ook niet voor mijn patiënten en voor mijn gezin. Ik begon in te zien dat mijn werk helemaal niet zo zwaar was, maar dat de manier waarop ik erin stond al mijn energie absorbeerde. Na zes jaar psychotherapie mocht ik, net als in de film, gaan liggen.
Geen oogcontact met mijn therapeut, geen vragen meer, maar gewoon mijn gedachten laten komen en uitspreken. Dit zorgde voor een immense creativiteit: ik ben gaan schilderen, tekenen, schrijven, ik heb zangles genomen, ging op yoga. Het was heel goed voor mij om niet ‘alleen maar dokter’ te zijn.
 
En toch, bleef er iets wat me in de weg stond. Pas na die begrafenis, waarbij ik zo bevlogen opschepte over de roem die me te wachten stond, wist ik hoe dat kwam. Eindelijk. Mijn eigen diagnose werd al snel bevestigd door een psychiater, en daarna weer door middel van een second opinion. Ik ben lithium gaan slikken, een medicijn dat de stemming stabiliseert. En Anafril, een klassiek antidepressivum tegen paniek en angst. Bovendien stopte ik met nachtdiensten draaien, want dat is voor iemand met mijn stoornis veel te zwaar.

Eindelijk, na jaren vechten en ploeteren, voelde ik me normaal. Weg was die eeuwige twijfel of ik de dingen wel goed deed. Het overgeven van de stress. De onzekerheid. De somberheid. Oók de pieken, die ik achteraf gezien wel vaker heb gehad, zoals toen bij die verliefdheid op Erik. Het enige wat ik nu nog weleens heb, is een hypomanie, een lichte manie. Ik krijg dan bijvoorbeeld zin om veel geld uit te geven. Doordat ik het goed herken, kan ik ingrijpen. Mensen die zich niet bewust zijn van hun (hypo)manie kunnen in een dergelijke bui in no time al hun spaargeld erdoorheen jagen of opeens hun huis te koop zetten. Om daarna vreselijke spijt te hebben. Daarom vind ik het belangrijk dat er meer bekendheid voor deze stoornis komt. Er zijn nog altijd veel mensen die niet weten dat ze het hebben of bij wie het pas laat duidelijk wordt, zoals vrouwen in de overgang. Ik wil dat mensen de ziekte herkennen. Het stigma dat erop rust moet worden doorbroken – want veel buitenstanders zijn nog altijd ‘bang’ voor iemand met een bipolaire stoornis. Terwijl er echt goed mee te leven valt. Daarom heb ik een boek geschreven onder mijn eigen naam en met mijn foto erop. Want ik schaam me nergens voor. Ik kan er toch niets aan doen dat er iets in mijn hoofd van slag is? En ik ben nog steeds huisarts- mijn patiënten weten wat ik heb en er is er niet één weggelopen. Ze vertrouwen mij. En terecht, durf ik inmiddels te stellen.
 
Misschien ben ik door mijn ziekte juist wel een betere huisarts, doordat ik mij goed kan inleven en emotioneel erg betrokken ben. Want dat blijft, mijn grote inzet. Alleen lijd ik daar zelf niet meer onder. Mijn beide kinderen weten dat ik medicijnen slik om beter te kunnen functioneren. Van kleins af aan zijn ze gewend aan een moeder die op de bank ligt te slapen om bij te tanken. Omdat zij ook risico lopen op de stoornis ben ik alert en zorg ik ervoor dat ze goed in hun vel zitten. En als daar therapie voor nodig is, dan krijgen ze die.”

Tekst: Lydia van der Weide (lydiavanderweide.nl)
Eerder gepubliceerd in: Nouveau