Hoe ik het depressiemonster bedwong

Nu ik geluk kan ervaren

Mijn strategie is ‘identificatie’, isolatie’ en ‘ontkoppeling’ Laat ik schetsen hoe ik dat heb geleerd en hoe ik dat tot op heden toepas wanneer het nodig is.

Twee maanden geleden gebeurden er in ons gezinsleven nare, bedreigende, ontwrichtende dingen. Schrik, paniek, boosheid, vertwijfeling, verdriet, angst waren ons deel. (De crisissituatie behoort gelukkig tot het verleden en de rust is weergekeerd.) En ja hoor, hoewel het inmiddels alweer jaren geleden was, stak in de slipstream van die heftige gebeurtenissen en gevoelens het depressiemonster de kop weer op in mij. Voorheen reageerde ik door als een vermetele krijger voorwaarts te blijven stormen. De vergissing die ik daarbij maakte was dat de vijanden tegen wie ik meende te moeten strijden zich buiten mezelf bevonden. Maar wat ik voor vijanden aanzag, waren niet mijn werkelijke tegenstanders; het waren slechts spoken in die zin dat ik ze nooit te pakken kreeg. De mensen op wie ik boos ben, zal ik niet kunnen veranderen, de nare gebeurtenissen zal ik niet ongedaan kunnen maken. Zolang ik dat niet doorhad, namen mijn actuele leven en de taken en verantwoordelijkheden die het met zich meeneemt allerlei gedaantes aan, welke ik tevergeefs bevocht. Het leven werd zwaarder, de spoken werden werkelijkheden die niets met het eigenlijke probleem te maken hadden. Die manier van doen leidde mij onherroepelijk naar depressie.

Het is inmiddels 16,5 jaar geleden dat ik tegen mijn echtgenote woorden sprak met ongeveer de volgende inhoud:        ‘Ik voel me verschrikkelijk ellendig, maar er is geen directe aanleiding. Ik ben ongelukkig geweest in het werk dat ik deed, maar sinds vier jaar doe ik werk dat ik fijn vind, dat bij me past en waarvoor ik heb gestudeerd. Tussen jou en mij zit het goed. We hebben fijne, lieve kinderen. Materieel ontbreekt het ons aan niets. We zijn zelf gezond. En toch, mijn lief, en toch voel ik me zo ontzettend ellendig dat ik ‘s avonds bij het slapen gaan tegen je zeg dat ik morgen liever niet wakker wil worden. Ik denk dus dat er niets mankeert aan de wereld om mij heen; er is iets mis met mijzelf. Ik ga na het weekeinde naar de huisarts en ik ga hem dit vertellen en ik ga vragen om hulp.’

Onze huisarts heeft later weleens tegen mijn echtgenote gezegd dat hij erg van mij schrok toen ik me met mijn hulpvraag bij hem meldde. Ik was er nogal deplorabel aan toe. Maar altijd had ik het hoofd recht op mijn romp gehouden, was ik blijven lachen en had ik de mensen om mij heen laten zien dat het met mij prima ging. De huisarts verwees me met spoed door naar de PAAZ. De psychiater, een uiterst gemoedelijke man van een jaar of zestig, die mijn intakegesprek met me voerde, zei me dat mensen met depressie nu juist heel veel energie steken in het ophouden van schone schijn tegenover de buitenwereld; energie die ze eigenlijk niet kunnen missen, omdat ze die nodig hebben om te vechten tegen dat wat in hun binnenwereld aanwezig is: de depressie. Hij verwoordde voor mij hoe zwaar dat was. Hij zei nog meer dingen waardoor het wel leek of hij mij al jaren kende. Ik voelde me gezien. En toen sprak hij woorden tegen mij die misschien wel de belangrijkste woorden zijn geweest die iemand ooit tegen mij gesproken heeft. Ik ben me ervan bewust dat ik dramatiseer en dit kan ik eenvoudigweg nooit voldoende dramatiseren. Hijzelf, die psychiater, wilde er ook niet al te veel van weten toen ik hem later, veel later, bedankte voor het redden van mijn leven. Toch is dat precies wat hij heeft gedaan. Ik was immers tot de conclusie gekomen dat eigenlijk alle ellende uit de voorbije 20 of 25 jaar aan mij had gelegen: er mankeerde iets aan mij, er was iets met mij mis. Misschien hadden alle moeilijkheden in mijn leven zelfs wel altijd aan mij gelegen.

Ik zat daar, bij die gemoedelijke psychiater, omdat ik een uitgewerkt plan had van hoe ik de wereld en mezelf van mezelf zou verlossen: mijn zelfdoding. Ik wist ook dat ik dan nog meer ellende en verdriet zou veroorzaken, in dat geval bij mijn echtgenote en mijn kinderen en ik hoopte dat ik geholpen zou kunnen worden om dit te voorkomen. Ik deed het niet voor mezelf. De psychiater zei:       ‘Aan jou mankeert niets. Wat er aan de hand is, is dat je lijdt aan depressie. Wij beschouwen depressie als een ziekte en zoals niemand kanker, suikerziekte of dementie IS, zo ben jij ook je depressie niet. Er zijn oorzaken die je ziek hebben gemaakt en wij gaan jou genezen.’ De man door wie ik mij gezien voelde, gaf mij een sprankje hoop en ook al wist ik niet waar hij het over had, ik heb het kennelijk opgepakt. Ik ben niet naar de rand van een hoog gebouw gelopen om ervan af te springen. Ik ben de behandeling die me werd aangeboden aangegaan omdat hij die woorden sprak.

Ik stuit vaak op weerstand als ik tegen mensen zeg dat depressie een ziekte is. Dat alleen al maakt me duidelijk hoe verschillend de beleving van mensen is en hoe lastig het is om algemene wegen te wijzen om van depressie af te komen. In mijn geval kan ik zeggen dat ik door en door was aangetast. In mijn stofwisselingsprocessen, denkprocessen en emotionele beleving, overal zat het in. Ik kon niet denken en niet beleven op de positieve manier waarop mijn behandelaars soms spraken en waarover ik in het begin vaak boos werd. Ik weet zelfs nog dat, toen ik tijdens mijn opname op de PAAZ voor het eerst gewaar werd dat de depressie week, ik me ontzettend bang voelde. Ik had mezelf en de wereld altijd beleefd via een negatief filter. Ik geloofde dat ik en de wereld zo waren. En toen begon de depressie zich terug te trekken… Dat proces ontnam mij veel van mijn – depressieve - denkbeelden, ontnam me mijn gevoel van zelf. Immers, als ik over dingen niet meer kon denken zoals ik - voor mijn gevoel - altijd had gedaan, wie was ik dan nog? Hoe irreëel was mijn leven dan voordien altijd geweest? Ik was bang mezelf kwijt te raken. Ik kreeg het gevoel dat helemaal niets nog ergens op sloeg. Ik kon mij toen nog geen begin van een voorstelling maken van de wereld waarin ik nu, voorbij de depressie, anno 2017, leef: een wereld waarin ik mijn plek inneem, gewoon omdat het zo is en zo is het goed.

Ook waren er op enig moment verpleegkundigen die me zeiden dat ze aan me zagen dat het beter met me ging; het schijnt een bekend verschijnsel te zijn dat anderen aan iemands houding en uitstraling eerder zien dat het de persoon beter gaat dan dat de persoon het zelf gewaarwordt. En ook dat knaagde aan mijn zelfbewustzijn doordat ik vanuit mijn omgeving, van mensen om me heen feedback over mezelf kreeg die niet overeenstemde met hoe ik mezelf ervoer. De depressie leek alles in het werk te stellen om te voorkomen dat mijn beleving ontvankelijk werd voor geloof in iets anders dan een depressieve wereld. Al die vormen van verzet en weerstand waren evenzovele symptomen van de ziekte. De allergrootste moeite of complicatie was misschien wel dat ik onder invloed van de depressie niet kon zien dat ik het zelf niet was die mijn altijd weer neerhalende, negatieve gedachten dacht. Dat ik het niet zelf was maar mijn depressie die tegen positief bedoelde opmerkingen in redeneerde in het nadeel van mijn eigen gezondheid.

Toch is, in elk geval bij mij, gebleken dat uitspraken die een beter leven maken tot iets waar je je in elk geval op richten kunt, ook al heb je geen idee van hoe dat dan is … zo’n uitspraak heeft zelfs dwars doorheen de diepste duisternis van ernstige depressie ertoe bijgedragen dat er iets veranderde in hoe ik de wereld ontving, beleefde en teruggaf. Inmiddels zie ik het zo: niets ligt vast. Ik geloof niet dat ik ben zoals ik ben. Ik geloof dat ik word, ik krijg vorm en aan dat proces kan ik hier en nu sturing geven. Soms heb ik daar hulp bij nodig. Wat gebeurde door en met de woorden van de gemoedelijke psychiater en wat ik toen helemaal nog niet kon analyseren zoals ik nu doe, was dat het monster werd geïdentificeerd, het kreeg een naam en impliciet een bestaan los van mij. De weg om te leren ontkoppelen en isoleren werd erdoor zichtbaar: het lag niet aan mijn omstandigheden en óók niet aan mij. Dan bleef er nog maar één oorzaak over: de depressie zelf. Hoe was die in mijn leven gekomen? En belangrijker: hoe zou ik hem er weer uit kunnen krijgen?

Ik werd opgenomen op de PAAZ en in het begin overkwam mij het tegenovergestelde van het licht waarvan ik voorzichtig een kleine glimp had opgevangen via de spiegel van de woorden van de psychiater. De hel bleek te bestaan, dat oord dat in de bijbel de ‘buitenste duisternis’ wordt genoemd. Niet langer hoefde ik de schijn op te houden dat het allemaal best wel goed met mij ging. Ik kon loslaten en dat deed ik. Ik viel en heb het gevoel gehad dat ik bleef vallen, zoals je weleens kunt hebben in een nachtmerrie. Het monster slokte me op, met huid en haar. Ik kwam terecht in een allesoverheersende, zinledige zwartheid. Sjonge, wat zat ik diep in de depressie die eerste weken in het ziekenhuis en wat was ik geestelijk en lichamelijk ziek. Ook voor mijn echtgenote was het afschuwelijk. Als ze op bezoek kwam, zat ik bij haar aan een tafeltje in het dagverblijf voor me uit te staren en ik zei haar dat ik liever had dat ze weg ging. En ik kon niet anders denken dan zie je wel? Alles is een grote miserabele ellende en laat me alsjeblieft allemaal met rust.

Drie maanden ben ik intern opgenomen geweest en vervolgens heb ik nog een halfjaar dagelijks therapieën gevolgd  - ‘dagbehandeling’ heette dat - en daarna ben ik nog jarenlang onder controle gebleven, met periodes van terugval en opnieuw therapie. Naast intensieve therapieën ben ik behandeld met medicijnen (antidepressiva).

Een jaar na mijn opname was ik weer fulltime aan het werk. Wat volgde, waren niet altijd gemakkelijke jaren. Elke drie maanden ging ik op controle. Ik gebruikte onder andere lithium. Zes jaar na mijn relatieve herstel heb ik opnieuw een diepe depressie doorgemaakt, die me ongeveer een halfjaar heeft gekost om er weer bovenop te komen. En verder was er vrijwel elk jaar wel een periode van lichte terugval. Toch was het leven draaglijk voor me geworden en er waren langere periodes tijdens welke ik kon zeggen dat het me goed ging, soms zelfs dat ik genoot. Maar als het erop aankwam, dan wist ik dat heel diep daar beneden de negativiteit leefde en de eigenlijke grondtoon van mijn levenslied speelde. Alles bij elkaar heeft dit 10 jaar geduurd. Het was heel veel beter dan mijn leven in de jaren voor mijn behandeling, echt veel beter. Het zou op zich al winst geweest zijn als het zo gebleven was, ware het dat ik dan nooit zou hebben kunnen zeggen dat de depressie zich definitief uit mij terugtrok, hetgeen wel is wat mij overkwam.

Op een dag in april 2011 klaarde het ineens op in mijn leven - ja zo moet ik het uitdrukken: ‘in mijn leven’. Ik versta daaronder al wat mij heeft gemaakt en mee heeft bepaald en maakt en meebepaalt wat ik in het hier en nu doe en meemaak. In dit - mijn - leven dat vorm krijgt, deels mede onder invloed van mijn persoonlijke handelende aanwezigheid (in het Engels: ‘agency’) daarin, is het licht geworden. Ik was me op dat moment zelf nog niet ten volle bewust van wat zich aan mij voltrok. Het gebeurde toen ik weer langzaam aan het opkrabbelen was na een nieuwe periode van lichte terugval. Het geval wil dat ik niet lang daarvoor een vijf maanden durende sabbatical van mijn werk had gehad tijdens welke ik een paar mooie reizen had gemaakt, onder andere een treinreis van een maand, samen met mijn echtgenote, door Zuidoost-Europa. Verkwikt en versterkt en uitgerust keerde ik terug op mijn werk, waar ik een soort van gestikte, natte deken van negativiteit voelde rondhangen. En - oei! - de oorzaak van mijn depressiviteit kon zomaar weer buiten mij liggen. Want die deken hing er misschien ook wel echt en misschien hangt ie er nog altijd. En dat brengt me in mijn relaas bij wat voor mij het inzicht is dat me hielp het monster eronder te krijgen en helpt het eronder te houden: het ligt nooit aan de omstandigheden en het ligt niet aan wie ik ben. Ik ben niet iemand, ik word, ik krijg vorm en daar geef ik sturing aan. Het lag aan het gif van het monster dat werkzaam was in mij en daar was de plek waar ik het moest bestrijden, wilde ik kans hebben het te verslaan.

Ik zei op die dag in april 2011 tegen mijn echtgenote:          ‘Het is klaar. Het is afgelopen. Ik WIL het niet meer. Dit is de laatste keer dat ik een depressie heb gehad. Dit is de laatste keer geweest, ik zweer het je. Ik ga drie dingen doen: minder uren werken, naar mijn psychiater om te vragen om elektroshocks of een andere rigoureuze aanpak en opnieuw in therapie.’ Dat is wat ik zei. Ik ben 20% minder gaan werken, de behandeling die mijn psychiater me voorschreef, was mindfulness-training en ik heb schematherapie gehad.

De clou is dat de behandelingen en zelfs het minder werken niet de doorslaggevende elementen zijn geweest in wat me geholpen heeft. Waar het om gaat, is dat ik het monster heb leren kennen als een ding wat niet bij mij hoort, waardoor ik een traject heb kunnen aangaan. Niet dat ik ook maar enigszins wist waaraan ik begon. Ik analyseer in terugblik op hoe het proces is verlopen. De boodschap van de gemoedelijke psychiater was: ‘het ligt niet aan jou, jongen, het ligt aan iets in jou wat macht over je heeft en wat kan worden bestreden’. Door dat – ik noem het ‘het monster’ en dat is het ook - serieus te nemen, ben ik het door de jaren heen ook steeds meer gaan zien als iets wat, wanneer het zich doet gelden, tijd en aandacht vraagt. Ik ga niet meer, net als voorheen, als een vermetele krijger verder met vechten tegen de verkeerde vijanden. Wanneer het er is, schuif ik andere activiteiten naar de achtergrond en concentreer ik me op dat wat op dat moment van belang is: terugjagen van het monster in de krochten waar het thuishoort.

Zo deed ik het ook toen het er dit voorjaar nogal onverwacht weer was. Ik ben naar mijn leidinggevende gegaan, heb haar verteld wat er was gebeurd in ons gezin en wat het met me deed (niet in detail, maar daar en toen genoeg), en heb tijd gevraagd om ermee te dealen. Die tijd gaf ze me. Ik ben een week thuis gebleven van mijn werk en heb op bij mij passende manieren alle aandacht gegeven aan het monster. En weet je? Dat is het laatste wat het wil. Het wil dat ik de schuld geef aan alles en iedereen om mij heen, het allerliefst aan mezelf, het wil dat ik mij tenslotte van een flat gooi.

Omdat het niet aan mij lag en ook niet aan de omstandigheden, bleef er één mogelijke schuldige over: het monster zelf. Dat maakte dat ik het kon loskoppelen van de niet aflatende stroom van negatieve gedachten die het me ingaf. Ik kon het isoleren. Het heeft hardnekkige oefening gekost om het te leren herkennen – het was een lange weg, je zult mij niet horen beweren dat het gemakkelijk is. Toch heb ik mogen leren ‘omdenken’. Ik heb mogen leren mijn geest te voeden met positiviteit in plaats van met negativiteit, een lange weg met heel vaak struikelen en toch iedere keer weer doorgaan.

Tegenwoordig ontkoppel ik mijn negatieve gevoelens, zoals ook angsten, van schijnbare aanleidingen. Ik stel mij teweer tegen negativiteit – ook tegen de veelheid aan negativiteit die in de samenleving rondzingt - want negativiteit zie ik als bacterie, de veroorzaker van depressie. Als het nodig is, aarzel ik niet om mij ziek te melden op mijn werk. Activiteiten, ook al zijn het leuke activiteiten, die me verhinderen te focussen op de depressie, leg ik stil. En dan ga ik om te beginnen analyseren, ontwarren. Zo is bijvoorbeeld een symptoom van de depressie dat hij me aanzet tot het zoeken naar directe oorzaken, hetgeen de aandacht van de depressie zelf afleidt. Bij mij kan dat bijvoorbeeld een nare opmerking van iemand zijn of een collega die ik tegenkom in de gang en mij niet groet. Zulk soort lullige gebeurtenissen kunnen het monster kietelen. En wat het dan doet, is mijn aandacht daarop richten. Ik ga erover piekeren, het wordt groter en voor ik er erg in heb, zie ik mezelf als sociaal onbekwaam en mijn collega's als een stelletje onbenullen. Soms is de negatieve trein al een heel eind onderweg eer ik doorkrijg dat ik 'het weer doe'. Dat gebeurt door oefening gelukkig steeds in een vroeger stadium. Dan stop ik letterlijk. Ik zeg dan tegen mezelf: oké, duidelijk, hij meldt zich weer. Het gaat helemaal niet om die leerling of die collega of om mij.

Bij angsten of boosheid of neerslachtigheid of verdriet ga ik zitten en voelen dat ik dat gevoel heb. Of proberen te identificeren wat het eigenlijk precies voor een gevoel is wat ik gewaarword. En als ik het dan 'te pakken' heb, dan werk ik eraan om het als zodanig te zien. Ik isoleer het! Het komt niet door een aanleiding en het komt niet door mij. Het komt doordat het er is. Punt. En dan kan ik het gevoel verduren. Het is er nu eenmaal. In ernstiger gevallen, zoals laatst, accepteer ik het gevoel en zoek ik naar 'pijnstillers'. Een prima werkzame pijnstiller is voor mij wandelen in de natuur, verrekijkertje mee, vogeltjes kijken, ergens gaan zitten en het landschap op me in laten werken, stil worden. Zijn.

Er is een belangrijk verschil tussen toen ik in 2007 een vrij ernstige terugval doormaakte en toen ik onlangs (voorjaar 2017) een zware aanval van het monster te verduren kreeg. In 2007 was ik al wel zover dat ik onderscheid maakte tussen mezelf, de omstandigheden en het monster. Het grote verschil met 2017 is dat ik in 2007 nog veel meer slachtoffer was. Ik was nog niet echt in staat om het monster te benaderen als ‘los van mij’. Het gif van het monster zat nog meer verspreid in mijn hele gestel. Ik zag nog niet zo scherp dat het monster niet noodzakelijk deel hoeft uit te maken van hoe ik vorm krijg.

Wellicht is tegenwoordig de positiviteit veel meer in alle cellen van mijn lichaam en in het ademen en stromen van mijn geest doorgedrongen, waardoor ik het monster ook echt als een binnendringende bedreiging kon ervaren. Het gevecht is nooit, nooit, nooit een gevecht tegen mezelf en toch is het zo verrektes lastig de manier waarop ik mezelf vorm geef te ontworstelen aan – of nee: te winnen uit – het voormalige geheel van mij en mijn depressie. Wat hoort bij ‘wat ik wil zijn’ en wat niet?

In 2007 begon ik, terwijl ik ziek was door de depressie, weer met roken – na meer dan 3 jaar niet gerookt te hebben. ‘Dan voel ik in elk geval telkens als ik behoefte heb heel even de opluchting van de bevrediging’, zei ik. (En voegde er stom genoeg aan toe: ‘als het weer beter met me gaat, stop ik gewoon weer’.) Ook al zag ik dat de depressie iets was wat weer voorbij kon gaan, dat het niet iets was wat per se bij mij hoorde, toch liet ik toe dat het monster overal in mij zijn vergiftigende werk deed. Ik handelde nog in samenwerking, ja als één met de depressie, zelfs in tijden dat ik niet ziek was. Het monster is zó geniepig, werkt zó slinks en langs sluipwegen dat ik niet doorhad hoe het in zijn werk gaat. Het is zó ingewikkeld om het gif en de uitwerking ervan te herkennen, doordat het me dingen liet doen onder invloed ervan, terwijl mijn ervaring me vertelde dat ik het zelf was die handelde zoals ik deed.

Het viel daarna niet mee om opnieuw van het roken af te komen. Gelukkig is het wel gelukt, evenals de vorderingen die ik sinds 2007 heb gemaakt in mijn vaardigheden om het monster te identificeren, ontkoppelen en isoleren en mezelf te zuiveren van zijn gif. Langzaam maar vastberaden werd ik gezonder. Steeds meer ben ik mezelf gaan ervaren als deze ene unieke vormgeving waaraan ik zelf heel veel positieve wending kan geven. Dingen gebeuren, zelfs de traumatische die ik heb meegemaakt. Ik herinner mij gebeurtenissen slechts voor een fractie als data. Het overgrote deel van mijn herinneringen bestaat uit betrokkenheid, beleving, perceptie, interpretatie, duiding, persoonlijke lading, mening en deze componenten worden op hun beurt getoonzet door weer andere gevoelens die te maken hebben met weer andere ervaringen; het is onvoorstelbaar complex.

Het is misschien opgevallen dat ik de uitdrukking ‘depressief zijn’ vermijd. Ik ben ervan overtuigd dat niemand depressief is, men heeft een depressie, men lijdt eraan. Het ligt aan het monster en aan het monster alleen. Als het zich roert, ontkoppel en isoleer ik het. Ik geef het alle aandacht, zet het in de schijnwerpers.

Sinds september 2015 ben ik vrij van antidepressiva. Ik ben gelukkig. Ik ben zó blij dat ik leef, dat die psychiater ooit die woorden sprak en dat ik geen einde aan mijn leven heb gemaakt. Dat gun ik de oh zo velen die lijden aan deze zo schromelijk onderschatte ziekte en hoop dat mijn verhaal daar hier en daar wat aan kan bijdragen.

Jan van der Mooren, 55 jaar Wil mijn ervaringen graag inzetten om mensen die met depressie worstelen te helpen

Meer ervaringsverhalen